Klik op
(Afbeeldingen corrigeren/verbeteren) in het venster Toon & gebruik (View & Use) of klik op Foto Afbeeldingen herstellen (Fix photo images) bij de knoppen voor afbeeldingsverwerking om het dialoogvenster Afbeeldingen corrigeren/verbeteren (Correct/Enhance Images) te openen.
U kunt in het dialoogvenster Afbeeldingen corrigeren/verbeteren (Correct/Enhance Images) geavanceerde instellingen definiëren, zoals instellingen voor het corrigeren en verbeteren van afbeeldingen en het aanpassen van de helderheid en het contrast.
U kunt ook de bronafbeelding naast de bijgewerkte afbeelding weergeven om deze te vergelijken.

(1) Taakgebied
(2) Werkbalk
BelangrijkHet corrigeren/verbeteren van afbeeldingen kan niet worden toegepast op PDF-bestanden of zwart-wit binaire bestanden.
OpmerkingU kunt het venster Afbeeldingen corrigeren/verbeteren (Correct/Enhance Images) ook openen door op
(Afbeeldingen corrigeren/verbeteren) in het dialoogvenster Inzoomen (Zoom in) te klikken.
Het corrigeren van grote afbeeldingen kan enige tijd duren.
Raadpleeg 'Venster Toon & gebruik (View & Use)' voor meer informatie over het venster Toon & gebruik (View & Use).
Beschikbare taken en instellingen zijn verschillend op de tabbladen Auto en Handmatig (Manual).
Klik op de tab Auto of Handmatig (Manual) om het bijbehorende tabblad te openen.
Met de functies op het tabblad Auto kunt u correcties en verbeteringen op de afbeelding in zijn geheel toepassen.
Zie 'Afbeeldingen automatisch corrigeren/verbeteren' voor meer informatie.

Automatische fotocorrectie (Auto Photo Fix)
Hiermee worden automatische fotocorrecties toegepast.
Voorrang geven aan Exif-info (Prioritize Exif Info)
Schakel dit selectievakje in om correcties toe te passen die voornamelijk zijn gebaseerd op de instellingen die waren geselecteerd op het moment van vastleggen.
Schakel dit selectievakje uit om correcties toe te passen op basis van de resultaten van de afbeeldingsanalyse. Deze instelling wordt aanbevolen.
OpmerkingExif is een standaardindeling waarmee verschillende opnamegegevens kunnen worden toegevoegd aan beelden van digitale camera's (JPEG).
Gezicht scherper maken (Face Sharpener)
Hiermee kunt u onscherpe gezichten verscherpen.
Geef met de schuifregelaar het niveau van het effect op.
Gezicht digitaal effenen (Digital Face Smoothing)
Hiermee kunt u de huid verbeteren door oneffenheden en rimpels te verwijderen.
Geef met de schuifregelaar het niveau van het effect op.
Op alle afbeeldingen toepassen (Apply to all images)
Wanneer u deze optie selecteert, worden alle afbeeldingen in de miniaturenlijst automatisch gecorrigeerd/verbeterd.
OK
Hiermee past u het geselecteerde effect toe op de geselecteerde afbeelding of op alle afbeeldingen.
Geselecteerde afbeelding herstellen (Reset Selected Image)
Hiermee annuleert u alle correcties en verbeteringen die u op de geselecteerde afbeelding hebt toegepast.
Geselecteerde afbeelding opslaan (Save Selected Image)
Hiermee slaat u de (geselecteerde) gecorrigeerde/verbeterde afbeelding op.
Alle gecorrigeerde afbeeldingen opslaan (Save All Corrected Images)
Hiermee slaat u alle gecorrigeerde/verbeterde afbeeldingen op die worden weergegeven in de lijst met miniaturen.
Afsluiten (Exit)
Het venster Afbeeldingen corrigeren/verbeteren (Correct/Enhance Images) sluiten.
Het tabblad Handmatig (Manual) heeft twee menu's: Aanpassen (Adjust) en Corrigeren/verbeteren (Correct/Enhance).
Gebruik Aanpassen (Adjust) om de helderheid en het contrast aan te passen of om de hele afbeelding scherper te maken.
Gebruik Corrigeren/verbeteren (Correct/Enhance) als u specifieke gedeelten wilt corrigeren/verbeteren.
Zie 'Afbeeldingen handmatig corrigeren/verbeteren' voor meer informatie.

Helderheid (Brightness)
De algemene helderheid van de afbeelding wordt aangepast.
Verplaats de schuifregelaar naar links om de afbeelding donkerder te maken en naar rechts om deze lichter te maken.
Contrast
Het contrast van de afbeelding wordt aangepast. Als de afbeelding flets is vanwege gebrek aan contrast, kunt u het contrastniveau aanpassen.
Verplaats de schuifregelaar naar links om het contrast van de afbeelding te verlagen en naar rechts om het te verhogen.
Scherpte (Sharpness)
Versterkt de contouren van onderwerpen om de afbeelding scherper te maken. Pas de scherpte aan als de foto onscherp is of tekst vaag leesbaar is.
Verplaats de schuifregelaar naar rechts om de afbeelding scherper te maken.
Vervagen (Blur)
Vervaagt de contouren van onderwerpen om de afbeelding een zachtere uitstraling te geven.
Verplaats de schuifregelaar naar rechts om de afbeelding te vervagen.
Doorschijnendheid verwijderen (Show-through Removal)
Verwijdert doorschijnendheid van tekst of de basiskleur door de achterkant. Pas het niveau van doorschijnendheid aan om te voorkomen dat tekst of de basiskleur van de achterkant van een dun document doorschijnt op de voorkant.
Verplaats de schuifregelaar naar rechts om doorschijnendheid meer te verwijderen.
Hiermee opent u het dialoogvenster Geavanceerde aanpassing (Advanced Adjustment) waar u fijne aanpassingen kunt aanbrengen in de helderheid en kleurtoon van de afbeelding.
Voor Helderheid/contrast (Brightness/Contrast) en Toon (Tone) selecteert u een kleur bij Kanaal (Channel) als u alleen Rood (Red), Groen (Green) of Blauw (Blue) wilt aanpassen. Selecteer Model (Master) als u de drie kleuren tegelijk wilt aanpassen.

Helderheid/contrast (Brightness/Contrast)
De helderheid en het contrast van een afbeelding aanpassen.
Verplaats de schuifregelaar Helderheid (Brightness) naar links om de afbeelding donkerder te maken en naar rechts om deze lichter te maken.
Verplaats de schuifregelaar Contrast naar links om het contrast van de afbeelding te verlagen en naar rechts om het contrast te verhogen.
Tint (Tone)
U kunt de helderheidsbalans aanpassen door Hoge lichten (Highlight) (het lichtste niveau), Schaduwen (Shadow) (het donkerste niveau) of Middentonen (Midtone) (de kleur in het midden van Hoge lichten (Highlight) en Schaduwen (Shadow)) op te geven.
Verplaats de schuifregelaar Hoge lichten (Highlight) naar links om de afbeelding lichter te maken.
Verplaats de schuifregelaar Middentonen (Midtone) naar links om de afbeelding lichter te maken en naar rechts om deze donkerder te maken.
Verplaats de schuifregelaar Schaduwen (Shadow) naar rechts om de afbeelding donkerder te maken.
Kleurbalans (Color Balance)
Hiermee past u de levendigheid en kleurtoon van de afbeelding aan.
Verplaats de schuifregelaar Kleurbalans (Color Balance) naar links of naar rechts om de bijbehorende kleur te benadrukken.
OpmerkingDit zijn de complementaire kleuren (als de twee kleuren van een kleurenpaar worden gemengd, ontstaat een grijstint). U kunt de natuurlijke kleuren van een fotosituatie reproduceren door de te veel benadrukte kleur te verminderen en de complementaire kleur te verhogen. Overkleuring' is het verschijnsel waarbij een bepaalde kleur de gehele foto beïnvloedt als gevolg van de weersomstandigheden of sterke omgevingskleuren.
Het is vaak lastig om de afbeelding helemaal te corrigeren door slechts één kleurenpaar aan te passen. Het beste kunt u een gedeelte op de foto zoeken dat wit zou moeten zijn, en alle drie de kleurenparen zo aanpassen dat dit gedeelte wit wordt.
Standaard (Defaults)
Hiermee maakt u alle aanpassingen ongedaan.
Sluiten (Close)
Hiermee sluit u het dialoogvenster Geavanceerde aanpassing (Advanced Adjustment).
OpmerkingDe waarden voor Helderheid (Brightness) en Contrast die zijn ingesteld via Aanpassen (Adjust) veranderen niet als de helderheid en de kleurtoon worden aangepast in het dialoogvenster Geavanceerde aanpassing (Advanced Adjustment).
Standaard (Defaults)
Hiermee zet u alle instellingen (helderheid, contrast, scherpte, vervaging en doorschijnendheid) terug op de standaardwaarden.
Geselecteerde afbeelding herstellen (Reset Selected Image)
Hiermee annuleert u alle correcties, verbeteringen en aanpassingen die op de geselecteerde afbeelding zijn toegepast.
Geselecteerde afbeelding opslaan (Save Selected Image)
Hiermee slaat u de (geselecteerde) gecorrigeerde/verbeterde/aangepaste afbeelding op.
Alle gecorrigeerde afbeeldingen opslaan (Save All Corrected Images)
Hiermee slaat u alle gecorrigeerde/verbeterde/aangepaste afbeeldingen op die worden weergegeven in de lijst met miniaturen.
Afsluiten (Exit)
Het venster Afbeeldingen corrigeren/verbeteren (Correct/Enhance Images) sluiten.

Helderheid gezicht (Face Brightener)
Hiermee wordt de hele afbeelding gecorrigeerd om het deel van het gezicht in en rond het geselecteerde deel helderder te maken.
Geef met de schuifregelaar het niveau van het effect op.
Gezicht scherper maken (Face Sharpener)
Hiermee wordt de hele afbeelding gecorrigeerd om het deel van het gezicht in en rond het geselecteerde deel scherper te maken.
Geef met de schuifregelaar het niveau van het effect op.
Gezicht digitaal effenen (Digital Face Smoothing)
Hiermee kunt u de huid verbeteren door oneffenheden en rimpels uit het geselecteerde deel te verwijderen.
Geef met de schuifregelaar het niveau van het effect op.
Vlekken verwijderen (Blemish Remover)
Hiermee verwijdert u moedervlekken uit het geselecteerde deel.
OK
Hiermee past u het geselecteerde effect toe op het opgegeven gebied.
Ongedaan maken (Undo)
Hiermee wordt de laatste correctie/verbetering geannuleerd.
Geselecteerde afbeelding herstellen (Reset Selected Image)
Hiermee annuleert u alle correcties en verbeteringen die u op de geselecteerde afbeelding hebt toegepast.
Geselecteerde afbeelding opslaan (Save Selected Image)
Hiermee slaat u de (geselecteerde) gecorrigeerde/verbeterde afbeelding op.
Alle gecorrigeerde afbeeldingen opslaan (Save All Corrected Images)
Hiermee slaat u alle gecorrigeerde/verbeterde afbeeldingen op die worden weergegeven in de lijst met miniaturen.
Afsluiten (Exit)
Het venster Afbeeldingen corrigeren/verbeteren (Correct/Enhance Images) sluiten.
Werkbalk
(Linksom roteren)
De afbeelding wordt 90 graden tegen de klok in gedraaid.
(Rechtsom roteren)
De afbeelding wordt 90 graden met de klok mee gedraaid.
(Omkeren)
De afbeelding wordt horizontaal omgekeerd.
(Bijsnijden)
Met bijsnijden selecteert u het gebied in een foto dat u wilt behouden en verwijdert u de rest. Sleep het witte kader in het weergegeven venster om het te behouden gebied aan te geven. Verplaats de cursor binnen het witte kader en sleep de aanwijzer om het gebied te verplaatsen.

OpmerkingPlaats de hoofdonderwerpen langs de witte stippellijnen of op de snijpunten om een evenwichtig beeld te maken.
(Vergroten)
De weergegeven afbeelding wordt vergroot.
(Verkleinen)
De weergegeven afbeelding wordt verkleind.
(Volledig scherm)
Hiermee geeft u de hele afbeelding weer in Voorbeeld.
(Vergelijken)
Hiermee opent u een venster waarin u de afbeeldingen van voor en na de correctie/verbetering naast elkaar kunt vergelijken.
De bronafbeelding wordt links weergegeven en de gecorrigeerde afbeelding rechts.
